Mijn oma is 97 en heeft de tweede wereldoorlog bewust meegemaakt. Toen de oorlog uitbrak was zij 17 en woonde in Amsterdam. Als ik bij haar op bezoek kom verteld ze mij altijd iets over de tweede wereldoorlog. Dit zijn voor mij belangrijke toevoegingen van het beeld wat ik heb over die tijd. Deze wil ik graag delen met de nieuwe generatie Amsterdammers. Door middel van animatie heb ik een manier gevonden om deze herinneringen te delen zodat deze niet verloren gaan.

Video afspelen

Dit waren de eerste twee uitgewerkte verhalen van Annie van Doorn. Ik ben altijd op zoek naar nieuwe verhalen. Bent u of kent u iemand die zijn of haar verhaal zou willen vertellen?

Dan kunt u een mailtje sturen naar:

brenda.van.laarhoven@gmail.com

Proces van het project

tekeningsoldaten2

De eerste schetsen bij de verhalen van Annie van Doorn

Rotoscope

De eerste rotoscope testjes

De verhalen van Annie van Doorn

“Ik was eigenlijk nog te jong om dat te beseffen, wat dat was. Want mij moeder zei al: “Dat is erg, dat is erg”. Terwijl we eigenlijk nooit de oorlog hebben gehad hier, de eerste, maar wel alles natuurlijk meegemaakt. En die zij toen tegen mij en mijn broer: “We krijgen oorlog hoor en dat is heel erg”. Nou ja, daar let je als zeventienjarige, zestienjarige… trek je daar niet zo aan. Dan denk je: “Dat zal wel loslopen”, maar het is niet losgelopen. Toen was toch de oorlog begonnen.

Het meeste wat ik mij van de eerste tijd kan herinneren, dat ze Fokker bombardeerden, de vliegtuigenfabriek. Dat was aan toen het einde van de Papaverweg. En mijn straat is ongeveer, ik schat het ongeveer, een halve kilometer, ervan af. Ja, toen begon het eigenlijk pas. Enfin, dat was onze eerste bombardement, toen bleef je nog in huis, want toen had je er nog geen besef van. Maar de tweede keer dat het gebeurde vluchtte al die mensen in de buurt naar het park toe. Honden, katten, vogels alles ging mee wat je kon dragen. Dan bleven we in het park zitten, dan kregen we het gebouw tenminste niet op ons hoofd. En een derde keer waren we toen eens thuis zijn we eigenlijk overvallen en konden we niet meer naar het park. Toen heb ik languit op de trap gelegen en die ouwe lag bovenop me, ging mij beschermen zogezegd. Ja dat gaf allemaal niks, maar we hebben dat overleefd.

Toen ja, wat moet ik nog meer over die tijd weten. Ja, in de straat woonden ook nog joodse mensen, twee joodse families. En die werden ook nog weggehaald, toen is de buurman nog over de veranda heen gesprongen naar beneden, maar ze hebben hem toch naderhand ingehaald en hebben hem ingerekend. Ze zijn allemaal weg, niks van meer teruggekomen. Mijn man had een joodse vriend ook die is ook nooit teruggekomen. Gingen ook met een heel gezin, geloof wel, met ik dacht, dat die wel met een man of tien waren thuis. Nou daar is er geen een van teruggekomen.

Mijn man werkte nog, hij was ondertussen een man geworden, oude Henk. ADM, bij de scheepvaartmaatschappij. Niet de grote, maar de kleinste die er was in Noord. En toen, daar moest hij ook voor werken, want er waren Duitsers, die kwamen je gewoon van huis ophalen, want hij werkte daar nou eenmaal. En dan zeiden ze wel van: “Ja dan moet je vluchten”, maar waar moest je dan naar toe? Je had niks dat was goed als je een zakje met geld had. Hè. We hadden niks, dus hij moest naar Duitsland. Daar is Henk, ik denk, een week of vier geweest. Afgekeurd teruggekomen voor bedplassen. Dat was een smoes, want naderhand kon niemand meer daarvoor afgekeurd worden hoor! Stonden ze allemaal bij elkaar in zo’n barak, konden ze pissen wat ze wouwe, ga je gang maar. Jullie hebben toch die rotzooi bij je eigen, maar hij heeft dan geluk gehad, maar hij moest wel blijven werken daar. Allemaal oorlogsboten, wat voor boten? Boten. Alles was gevorderd.

En dat ie… hij was ook niet bang voor ze, weet je. Hij ging niet… Hij week niet voor ze opzij. Ik vergeet het nooit, dat we onderweg liepen, hij liep aan die kant ik liep zo hier. Daar kwam verderop een Duister aan met een groot geweer zo. En ik zeg tegen hem: “Kom nou hier tegen mij aan hè, want hij wil erdoor zo.” “Waarom? Waarom? Ik loop goed. Ik loop rechts. Hij is niet goed.” En hij liep door, hij liep tegen hem aan hoor! Ik denk nou… Maar die Duitser was zeker ook verbluft, die zag niet eens meer waar die gebleven was volgens mij. Die ouwe zei: “Nee hoor, ik loop rechts en hij loopt links en hij hoort hier niet. Hij is geen Nederlander hij is een Duister”. “Ja maar kom jij maar een beetje…” maar dat deed hij niet hij liep waar die wou en deed dat ook.

Mijn moeder in Noord, wij woonde zelf in de stad in de Van Hallstraat, bij de Van Hallstraat, en dan gingen we bij mijn moeder eten, die had nog eten, want wij hadden niks. Ten eerste waren wij met niks begonnen, dus je kon nooit zoveel hebben, maar die ouwe was handelsman die had altijd nog wat te verhandelen. Dus dan zei ze: “Als je niks hebt, kom je maar naar mij toe.” Dan gingen we het IJ over in die pontons bootjes, weet je? Van de een naar de andere kant. Nou dat kon in het begin nog wel, maar naderhand kon dat ook niet, mocht je daar ook niet meer overheen. Dan moest je blijven waar je was, maar ik heb nog wel een aantal keren, nou de meesten keren bij mijn moeder gegeten. Dan had ik twee dagen niks gehad dan ging ik wel. Dan denk je bij je eigen: “Daar is nog wat.” Daar was ook altijd wat. Want ik zeg nogmaals ik heb het niet… Ik ben niet… Het was niet zo slecht voor mij in de oorlog, dat heb ik eigenlijk niet zo meegemaakt. Ik niet in een kamp ook gezeten dus dat weet ik allemaal niet.

Ik heb toen we hongerwinter hadden, nadat ik getrouwd was, in ’44. En na augustus werd het steeds minder met eten. Hebben we die fietsen even gaan halen met toch twee buurvrouwen, weetje? Maar een fiets was dan met van die rubberen banden eromheen. We hadden twee goeie fietsen en een zo. Zo zijn we vertrokken en dan moesten we om de haverklap wisselen onderweg. Dan die zoveel kilometer en dan die. Zijn we tot bij de IJssel gekomen. Konden we toen nog over met een roeibootje, met ook weer Duitsers erin. Je kwam ze overal tegen, dus daarin ook. Zijn we overgestoken bij weet niet hoe die plaats heet… Heino! Ja, nou weet ik het weer. Heino zijn we gekomen en daar in de buurt hebben we in de rondte rondgezworven bij de boeren, elke boerderij, waar ze ons… maar ik mocht niet mee, van die twee meiden niet. Ik zag er te gezond uit! Net als je moeder af en toe zo’n kleur, zo’n paar wangen, kan je nagaan als je gaat fietsen! En daar lag sneeuw zo hoog, dat was toen, dat heb je nou niet meer. Maar, dus, ach mens ik had m’n kop! Als ik bij die boer, “ga jij maar bij die fietsen staan, jij let op die fietsen, wij gaan aankloppen”.

 

En toen hadden we een goeie boer gevonden. Hij zegt: “Kom maar binnen.” En we kregen te eten, mochten slapen. Ja, in de koeienschuur zogezegd, weet je? Hoe noemen ze dat? Op de deel geloof ik, weet ik het… Daar mochten we slapen, waren wel een paar muizen, maar ja daar moet je maar niet op letten. Die vlogen zo langs mijn kop heen. Daar hebben we eigenlijk gelogeerd bij die man, want daar kwamen we steeds terug. Weer een andere en dan weer terug. Omdat je wist, hij liet ons binnen voor te slapen, weet je? Want hij had zelf twee joodse kinderen, had hij ook in huis en dat deed hij ook veel. Hij wou mij, mij ook in huis. Ik zeg: “Mijn man die zit thuis.” “Nou dat hindert niet dan komt u man ook hiernaartoe”. Ik denk: “Ja, aju paraplu.” Hij had geen vrouw meer hij was weduwnaar, ja natuurlijk! Nee dat moet ik niet. Ik ben daar veertien dagen in de buurt rondgegaan voor eten en wat hadden we dan nog? Een zakkie eh, aardappelen, ik denk een kilo of vijf en een zakkie eh, hoe heet het? Voor brood te maken, Tarwe! Tarwekorrels. En een klein stukkie ja vlees, maar wat het is geweest weet ik niet meer. Dat is al wat we hadden. Toen zijn we maar teruggegaan.

 

En toen kwamen we dan thuis, helemaal naar huis. Hoe we dat hebben gedaan weet ik nog niet hoor. Maar we zijn weer thuis gekomen. Dat die ouwe die huilde van blijdschap, want die dacht dat ie mij nooit meer terugzag. Die denkt, die komt niet meer terug, die zit daar goed. Die dacht dat ik nooit meer terug “oooh je bent…” Ik zeg: “Wat dacht je dan? Dat ik bij die boer bleef zitten?” Ik zei: “Jij had er kunnen kommen, hadden we een bericht moeten sturen. Ja had er nog wel een eerst naar je toe moeten gaan, anders gaat het niet natuurlijk.” Ik zeg: “Maar ik ga daar niet zitten.” zeg ik tegen hem. Nee. Hij zei “Ik ga er ook niet naartoe, we zullen het hier wel zien te redden”, want hij moet toch werken op de werf. Hij pikte af en toe nog halve broodjes van die Duitsers, echte Duitse küchen brood. Zo van die halvies bracht hij wel eens mee. Omdat, die hadden wel te eten daar op die werf hoor. Daar was volop eten, maar ze kregen er niks van. Pikken moest je.

Ja, en wat je dan at. Hij at wel bloembollen. Erg hè, als ik er nou over nadenk. Denk ik, eigenlijk een stakker, want wie vreet er nou bloembollen? Moet je nou eerlijk wezen. Ik niet hoor, want ik lustte dat niet. Maar ja, ik had niet zoveel eten nodig als hij, hij moest toch werken. Want ze kwamen je halen, als je niet kwam, dan kommen ze je achterna, niet? Nou bloembollen. Hij had het dan opstaan op die pit, ik denk bij mij eigen: “Nou dat moet ik niet hoor”. Het was niet om aan te zien, maar hij. Hij vond het nog lekker ook hoor. Lekker. Met van dat aardolie, want dat kreeg je op een bonnetje. Bonnetje van de voedselbonnen. En die zat op een kaart. En dan kon je wat halen als je… als der was hoor. Want je moest af en toe een slag leveren wil je wat krijgen. Moest je in de rij staan wil je wat krijgen voor je bonnetje. Maar ja, je had wel een bonnetje. Nou dan had je van dat, dan kreeg je van dat hele donkere olie, rapenolie. Dat hadden ze nog wel. Dat was heel donker, de kleur van stroop had het, zo donker was dat. En dan zat hij lekker te eten.

Kat heb ie ook gegeten, ach, een kat! Kan je het je voorstellen een kat! Ikke niet… hij wel. Ik wist welke kat het was, ik denk nee hoor! Ik had hem nog zien lopen, ja! Die ga je dan toch niet opeten. Mijn buurvrouw vraagt beneden en haar man, die hadden dat gedaan die hadden die kat in de tuin. En toen zei ik wat ruikt dat hier lekker, was ze aan het bakken. Het was die kat! Zegt ze tegen mijn: “Je mag het wel weten het is die kat, maar het is lekker hoor!” Ik zeg, ik kijk… “Ja we bewaren wel een stukkie voor Henk.” Nou Henk vond het héérlijk! Die zegt tegen mijn… ja… als ik eraan denk, dan kan ik wel huilen, buh, die arme kat. Ik heb kat opgezet, moet je ook een stukkie kat? Nou ik niet!

Dit is nog voor de fiets, want toen kon je nog een beetje wat krijgen. Tenminste de gewone mensen niet hoor, maar mijn vader, die kreeg alles los, want die zat in de handel. En die had dat allemaal bewaard, die had dat niet uitgegeven. Chocola en dinges zaten er ook op die kar. Hij had een fruitkar, maar ook een hele, zo’n hele vitrine met repen al dat dat soort dingen. En dat hadden ze in die tijd niet meer.

 

Het was in ‘44, ik heb van ‘40 tot ‘44 verkering gehad. We zijn in augustus getrouwd. Met een koets, niemand had een koets alleen ik. Zoveel mensen hadden we nog, mijn moeder had de kamer uitgeruimd en de slaapkamer, voor een feesie. En mijn oom had een accordeon, zo, en dat had hij nog gespeeld. Maar ja we moesten… het was wel de tijd dat we voor achten al binnen moesten wezen, voor het spertijd, moest je voor achten binnen wezen. Dus we gaven s ’middags het feestje. Mijn moeder had gebakken, en mijn vader had voor drinken gezorgd. Ik had twee kamers vol met mensen! Ja wat denk je! Er was wat te halen en te eten dus ze kommen. Ja.

Eerst ondertrouw, dat is ook nog geweest. Veertien dagen voordat je gaat trouwen was dat vroeger, weet je wel. Moest je aantekenen. Dan ga je net als nou nog bij de kerk, daar wordt dat nog aangezet, maar dan moest je het herhalen. Dan werd alles opgeschreven in het register dan was je aangetekend zogezegd. Nou dat hebben we dan ook met een rijtuig gedaan. Ik niet hoor, maar mijn vader heeft alles betaald. Maar eh de hele dag in dat rijtuig. De hele dag langs ooms en tantes, kennissen, neven en nichten. We hebben veel bloemen gehad en konden niet meer in die wagen. En die ouwe werd nog misselijk, want overal moesten we wat eten. Die ging uit die koets een heeft staan spugen langs de weg. Die had zoveel gehad. En je kreeg al niet veel dus hij was al mager. Nou ik niet hoor, ik was een beetje huiverig overal van. Ik moest dit niet en dat niet en dat in de oorlog! Maar goed dat is geweest. Hebben we toch de hele dag gereden toen, met een paard ervoor. Ik had een mooi boeket ook bij me, moest ik de hele dag met dat boeket ook lopen.

Nou en toen veertien dagen daarna zijn we getrouwd. Hebben er nog twee koetsies achter ons aangereden. Voor de ouders, want je moest toen ook tekenen, als getuigen. Waren we met drie rijtuigen. Dat we er helemaal geen foto’s of films van hebben, he helemaal niet, niks niet.

En toen weer terug met de hele groep, want die kwamen meteen eten. En we kregen een koekie, en volgens mij een gebakkie… ook nog… Hoe kwamen die mensen daaraan? Die ouwe haalde alles weg… die had gouden handjes hoor!

Onder die baan van het centraal station, weet je wel, om die fruitstal te stallen. Pal naast het postkantoor.

Mijn vader. Hij handelde. Hij kon alles kwijt, hij was ook zo goed in de handel. Door hem hebben we dat nog allemaal gehad. Want niemand die dat had hoor, niemand. En hij was overal nog wel gezien, want je kreeg allemaal een biertje. Wie der zat, zat er, maar: “Neem jij maar een glazie en jij een glazie en jij ook”. Als mijn moeder het wist… naja heb hem diverse keren uit de kroeg gehaald, maar goed niet zo over piekeren Ann. Maar ik zeg het altijd ik heb het niet slecht gehad en het zal nooit slechter worden ook. 

Nou was er een trouwerij geweest, waren we bevrijd. Hebben we op straat muziek gemaakt. Ik vond het erg dat ze die vrouwen hun koppen kaal hebben gescheerd. Aan de overkant waar wij woonden, was er ook zo’n meisje. Die werd ook uit haar huis getrokken door die kerels. Naderhand denk je bij je eigen: “Hoe ken je dat doen?” Want het waren allemaal meestal jonge meiden, jaar of vijftien, ouder waren ze niet. Als het Engelsen waren geweest hadden ze dat ook met die Engelsen gedaan. Tuurlijk! Wat ik zeg als het Engelsen of Amerikanen waren hadden ze die genomen. Hadden die meiden die genomen, of die Amerikanen hun genomen. Hoe het is, is het. Ja dat vond ik ook erg. En in een andere straat hadden ze teer gedaan op hun hoofd en veren erop. Hou op alsjeblieft, wat een narigheid.”